Gifgasroute

< terug

Langemark-Poelkapelle werd op 22 april 1915 het decor voor het eerste grootschalige gebruik van één van de gruwelijkste wapens uit de Eerste Wereldoorlog, namelijk chloorgas. Veelal is niet geweten dat dit precies in Langemark-Poelkapelle plaats vond en wordt er vaak gecommuniceerd: 'nabij Ieper'.

Het gas werd vanuit ongeveer 6000 gasflessen over een lengte van 6 kilometer, van Stampkothoeve tot Halverweghe huys (Langemark-Poelkapelle), in de late namiddag gelost tegen de Franse linies. Militairen, maar ook de resterende burgers, die nog in de buurt van het gasfront woonden, sloegen, naar de keel grijpend, op de vlucht. Waar de gaswolk passeerde, was niks anders dan de dood. 22 april 1915 wordt nog altijd gezien als de startdatum van chemische oorlogsvoering in de wereldgeschiedenis.

Van begin maart tot eind augustus 2015 wordt deze gebeurtenis dan ook uitgebreid herdacht met o.a. officiële herdenkingsplechtig-heden, de visualisering van de gaslijn, de inhuldiging van een vredeswijzer, de Dag van de Geschiedenis van Davidsfonds Nationaal, voordrachten en monologen, … en met 2 routes: de permanente ‘Gifgasroute’ met getuigeniszuilen en de tijdelijke kunstroute ‘ART-TRACES across the Western front’ met hedendaagse kunst.

Tip 1 herdenking gas 1915:
Gifgasroute met getuigeniszuilen

FIETSROUTE ‘GIFGASROUTE’

Op vrijdag 10 april'15, opende de gemeente Langemark-Poelkapelle de gifgasroute. Deze 41 kilometer lange route, die kadert binnen het ruimer aanbod van herdenkingsfietsroutes van de provincie West-Vlaanderen, brengt de fietser naar alle belangrijke plaatsen die met de eerste gasaanval te maken had.

Zo passeer je onder meer aan het Canadian Memorial, Kitchener ’s Wood en Steenstraete. Maar ook de kleinere relicten en herdenkings-plekken komen aan bod. Zo kom je te weten hoe de componist Ivor Gurney de gevolgen van gas steeds bleef meedragen na de oorlog, het verhaal van Beeuwsaertmolen en kun je de gaslijn ( de loopgracht waarvoor het eerste gas werd gelost), terug vinden in de blokkenformatie op de Duitse Militaire Begraafplaats.

De route brengt je niet alleen naar relicten en monumenten, maar laat je ook onderdompelen in de verhalen van de mensen die geconfronteerd werden met het verschrikkelijke wapen ‘gas’.

Aan de hand van 8 getuigeniszuilen, kunnen fietsers getuigenissen beluisteren van soldaten, verpleegsters, burgers, die getuige of slachtoffer waren van het gebruik van gas in oorlogsvoering. De soms schokkende getuigenissen geven de verschrikking weer van het gebruik van gas als wapen.

Deze getuigenissen kunnen ook in het Engels, Frans en Duits beluisterd worden. De zuilen werken op zonne-energie en zijn 7 op 7, 24 op 24 te beluisteren.

GIFGASROUTE IN HET KORT:

Wat:  41 kilometer lange fietsroute met 8 luisterzuilen

Wanneer: Open vanaf 10 april ’15, 7/7, 24/24

Startplaats:  Gemeentehuis Langemark-Poelkapelle, Kasteelstraat 1, 8920 Langemark-Poelkapelle

Organisator: Gemeentebestuur Langemark-Poelkapelle, Dienst  Toerisme, Jo Lottegier,
  toerisme@langemark-poelkapelle.be,
  057/49.09.41  www.langemark-poelkapelle.be
  – www.langemark-poelkapelle14-18.be

Facebook: ‘Toerisme in Langemark-Poelkapelle’

Samenwerking:  Deze fietsroute en de luisterzuilen zijn tot  stand gekomen in samenwerking met Westtoer, de  provincie West-Vlaanderen en Toerisme Vlaanderen. De route past in een geheel van 10 routes die  verder in de westhoek worden ontwikkeld in het  kader van de herdenking van de Eerste  Wereldoorlog.

Prijs:2.00 euro per kaart, te verkrijgen in de  toeristische dienst van Langemark-Poelkapelle, en  ook bij lokale horeca.

Doelpubliek: Zowel fietsrecreant als geïnteresseerden in  historie

Getuigeniszuil 1 : O.L.V Straat

Voor je uit zie je de Brooding Soldier staan, ook wel het Canadian Force Memorial of in de volksmond ‘De Canadien’ genoemd. Het monument werd opgericht voor de Canadese troepen die hier tijdens de gasaanval grote verliezen leden. De militair bovenop het monument, kijkt ‘arms reversed’, in de richting van waar tijdens de eerste gasaanval, het gas kwam drijven. De Canadezen kregen met de eerste gasaanval hun vuurdoop. Amper een paar weken aanwezig aan het Westelijke Front, werden ze geconfronteerd met één van de gruwelijkste passages uit de Eerste Wereldoorlog. Soldaat Underwood bevond zich met de 1ste Canadese divisie in de buurt van dit kruispunt , ook wel Keerselaere genoemd.

We zagen de Franse zoeaven op ons toekomen. Ze hadden een blauwe mantel met een rode broek aan. We keken verbaasd naar deze uniformen want tot nu toe hadden we alleen maar saaie kaki uniformen gezien. Ze haastten zich in onze richting, half verdwaasd voor zich uitstarend. We vroegen ons af wat er scheelde. We vonden het eerst vreemd dat ze zo tot bij ons kwamen. Eens ze bij ons waren,wilden we ze tegen houden, maar ze wilden niet blijven. Ze waren op de vlucht voor de Duitsers. We kregen bevel de vluchtende soldaten neer te schieten wat we dan ook deden. Algauw zagen we een groene wolk langzaam over de velden in onze richting kruipen. Niemand van ons had ooit gas gezien. Behalve één van onze mannen, die voor chemicus had gestudeerd en ons melde dat het om chloorgas ging. Hij zei: Als je wil dat je longen niet kapot branden, dan moet je op je zakdoek plassen We plasten op onze zakdoek of gelijk welk anders stuk stof dat we vonden en bonden die voor onze neus en mond. Het zorgde er voor dat we niet vergast werden. De Duitsers rukten in grote getale op achter de gaswolk. We konden ze goed zien opkomen met hun grijze uniformen maar we konden niks doen want onze ‘Ross Rifles’ geraakten steeds geblokkeerd…

Getuigeniszuil 2 : Kitchener ‘s Wood

Na de eerste gasaanval lag voor de Duitse troepen de weg naar Ieper open. Er is één grote bres geslagen in het front en deze moest kost wat kost gedicht worden. Ze maakten er echter geen gebruik van. Franse officieren hadden geen zicht op de situatie en probeerden met ongecontroleerde bevelen te redden wat er te redden viel. Al vanaf de avond van 22 april 1915 werden vruchteloze pogingen ondernomen om het verloren terrein goed te maken. Zonder succes. De troepen waren niet op volle sterkte. Pas een aantal dagen later zullen de troepen, vooral Canadezen, met volle sterkte een succesvolle poging ondernemen in de buurt van Kitchener ’s Wood. 

Ook ver achter het front worden de gevolgen van de gasaanval duidelijk. Kinderen worden geconfronteerd met de gruwel van dit nieuwe wapen. Dit blijkt uit volgende getuigenissen:

Georges Deconinck

Er was gas gesmeten. ’s Morgens brachten ze voortdurend soldaten aan. Op een gegeven moment lag de school heel vol. Ze brachten ze dan in den hof van de school om ze te verzorgen. Een officier kwam moeder vragen of we melk hadden. “Ja”, zie moeder, waarop hij zei: “ Je mag melk geven, maar niets ander dan melk. ”Die jongens waren vreselijk op hun adem gepakt. Ze mochten melk drinken , maar de meesten konden zelfs dat niet. Er gingen er voortdurend dood en ze werden buiten de haag van het hoevetje in de wei gelegd. Er was er één die hun zakken leeg moest maken. Hij stak alles in een klein zakje, deed het dicht en deed er een kaartje met de naam van de dode soldaat op. In de wei ernaast, waren er mannen van het Rode Kruis die graven maakten. Nog voor ze konden beginnen delven, lagen er zestien doden op één rij. En telkens ze er twee begroeven kwamen er twee nieuwe bij.

Marie Beck getuigt het volgende :

Op een dag, onze ogen traanden. We zeiden, wat is dat, zo tranen. Het bleek gast te zijn. Ondertussen kregen we gasmaskers. We moesten dit halen in ’t Wetshuis. Later hebben we het nog gehad. Eén keer. Het stonk enorm en vader zei: je moet eens zien in de tuin. We zagen een streep, alle groenten waren verschroeid. ’t Was voorbij vooraleer we die gasmaskers konden aandoen. Daarachter kwamen er autobussen met Engelsen. Van die hoge, met 2 verdiepingen. Er zater er daar ook boven op, meer dood dan levend. Ze zaten boven om lucht te hebben. En toen kwamen de ambulances. Dat moeten officieren geweest zijn. Ze stopten aan de halte niet ver van ons. Ik kon het niet laten om te gaan zien daarachter en trok een van die dekzeil open. Maar mens toch. Die dichtst bij mij lag, zijn ogen puilden uit, zijn mond was wijd open, zijn tong stak uit. Hij was dood. Wie gaat er nu verwachten dat je dat gaat zien. Maar mens toch. Moeder toch!

Getuigeniszuil 3 : Het verzet.

Op 22 april 1915 slaat het noodlot toe bij vele mensen. Zo ook bij Achiel Meyfroodt. Reeds kort na het uitbreken van de oorlog had hij twee kinderen verloren, een tweeling van 3 maanden oud. Hij was met zijn vrouw en zijn andere kinderen Boezinge ontvlucht en had een onderkomen in Ieper, in de herberg ‘ De oude Wachte’ nabij de Menenpoort. Een Duitse voltreffer boort zich in het huis en maakt 25 slachtoffers. Onder hen een aantal Boezingenaren: z’n vrouw Eveline Devriese. Verder ook nog een schoonzuster, haar man en hun drie kinderen……..Ook van Boezinge, meer bepaald van hier aan café ‘Het Verzet’, was Marie Desaegher. Ze was de oudste dochter van een kroostrijk gezin. Op een leeftijd van 21 was ze doof geworden en die bewuste dag van 22 april 1915 gaat ze naar Ieper om een vaccinatie bij een Engelse dokter. Op haar terugtocht, met haar zus Emma, komen ze te midden van de beginfase van de gasaanval terecht.

Wanneer ik op 10 minuten van thuis kwam – het moet ongeveer zes uur in den avond geweest zijn - stonden er daar een hele hoop soldaten en parochianen langs de straat. Ze spraken tegen ons, maar wij gingen voort. Wat ze zeiden weet ik niet. Opeens begon Emma tekens van angst te tonen en ze wilde bijna niet meer voort. Ik vroeg wat er scheelde en ze begon een heel verhaal uiteen te doen waarvan ik geen woord verstond. Ik zei: “ Allé, laat ons toch vlug voort gaan, want ik verlang om thuis te zijn.” Ze deed nog altijd tekens , en opeens vroeg ik : “zijn er misschien bommen gevallen?”. Ze zei van ja, met nog een heel verhaal erbij. Ze begon te beven. Dan bezag ze mij strak in ’t gelaat, zei enige woorden, maar ik verstond ze niet, en zette het dan op een lopen naar de hofstee van Cyrille Vandenbulcke. Ik liet ze lopen, want ik was binnen vijf minuten thuis. 

Na een paar stappen vlogen plots de schrapnels tot op een paar meter van mijn voeten. Ik was bijna getroffen! In een seconde tijd kreeg ik het zo koud als een lijk. Ik voelde mijn vermoeidheid niet meer, en liep heel vlug naar dezelfde hofstee waar twee minuten voordien mijn zus gelopen had. Rond mij vielen de schrapnels in. Ik sprong over grachten en dijken, over vuilnis en bramen, kortom over alles die in de weg lag. Toen ik op de hoeve kwam, vroeg ik om mijn zus, maar niemand had haar gezien. Hoe was het mogelijk?

Op het hof waren de zoeaven heel zenuwachtig. In het woonhuis vond ik een man in zijn hemd, en nog een ander waarvan zijn hoofd in doeken gewonden was. Het was volk van Pilkem. Toen ze me zagen begonnen ze van alles te vertellen met veel gebaren. Ik dacht dat ze dronken waren. Ondertussen waren al de soldaten weg. Ze waren wegelopen naar Ieper. Ik had het gezien. 2 zoeaven waren gebleven. Al door het venster zag ik een voorraadwagen vluchten met 2 zwarte paarden , en in die wagen waren er twee zoeaven gezeten. De paarden werden getroffen door schrapnels en ze waren beiden op slag dood. De zoeaven sprongen hals over kop uit de wagen en vluchtten. Ik moet bekennen dat ik nog niet wist wat er op handen was. Dat is zo als men doof is…. Ik had reeds zoveel bommen gezien en was niet meer bevreesd. Toen het volk van Pilkem die twee paarden zag doodvallen, vluchtten ze ook. Ik stond daar nu alleen met Julien. Al vluchten deden ze teken hen te volgen. Waarom ik dit toen niet gedaan heb weet ik ook niet.. Julien kwam naar mij gelopen, terwijl hij door woorden en tekens tot mij zei: ‘ Ik blijf bij u , Marie” Ik liep naar buiten en hij volgde mij. Daar stonden er twee zoeaven. Ze liepen naar den gang die de stallen van het woonhuis scheidde. We liepen mee. Nauwelijks in de gang gekomen, stak ik mijn hoofd enigszins vooruit en bemerkte Duitsers op het hof komen! Dodelijk verschrikt bezag ik de twee zoeaven, zeggend : “ De Duitsers zijn daar!” En ze liepen naar de Duitser toe zonder wapens, met de handen omhoog, terwijl ik en Julien den gang uitliepen recht naar een varkensstal

Dit was enkel de start van Marie’s doodsangst. Na een nacht ondergedoken te zijn in de varkensstal, ontdekken zij en Julien, haar 10 jarige buurjongen, dat de boerderij volledig in de Duitse linies is komen te liggen. Ze worden geëvacueerd waarbij Marie zwaargewond geraakt. Ze ziet haar zus Emma en haar familie pas terug na de oorlog. Julien komt 2 jaar later te sterven zonder zijn ouders ooit terug te zien.

Getuigeniszuil 4 : Steenstraete

Ten noorden van Ieper, ter hoogte van Steenstraete bevindt zich het Belgische Leger. Meer bepaald het regiment van de grenadiers, dat zich in die dagen van april zal onderscheiden. Deze Belgische eenheid springt na de gasaanval in de bres ter verdediging van de frontlijn. Iemand die heel erg betrokken is bij de verdediging is onderluitenant Michel Toudy. Hij houdt een erg gedetailleerd dagboek bij. En dus ook over de eerste momenten van de gasaanval. Uit zijn dagboek kun je merken dat hij een heel plichtsbewuste officier was.

We zijn nog steeds van piket. Zo rond 4uur in de namiddag horen we een groot bombardement en zien we een grote wolk die in de richting van Steenstraete drijft. Van Cauwenberghe krijgt de orders om op te trekken naar het front, maar ik neem het bevel van hem over. Ook al ben ik ziek en hebben de dokters mij tijdelijk ontgeven van dienst, het commando kan ik niet overlaten aan Van Cauwenberghe. De compagnie wordt snel gevormd. Ik moedig mijn mannen aan door te zeggen dat het moment aangebroken is om door te stoten tot Gent en dat het onze mannen zijn die in de aanval zijn getrokken. Een vliegtuig vliegt over … onze posities worden doorgegeven aan de Duitse artilleristen. Duizenden en duizenden kogels van de machine geweren vliegen ons om de oren en de inslagen van de obussen zijn verschrikkelijk. Uiteindelijk geraken we ter plaatse; tussen de Lizernemolen en de brug over Steenstraete. Opnieuw worden we bestookt door intens artilleriegeschut en machinegeweren. De bombardementen zijn volledig gericht op de loopgracht waar we ons in bevinden. Ze gaan geweldig te keer. Om zot van te worden. Rond de klok van 8 krijgen we het bericht dat de Duitsers de brug en het kanaal zijn overgestoken en dat de Fransen zich terugtrekken tot in Lizerne. Gedurende de ganse nacht moedig ik mijn mannen aan om onophoudelijk te blijven schieten in de richting van Steenstraete om te voorkomen dat de Duitsers verder zouden kunnen oprukken. Franse territoriale soldaten die in onze loopgracht sukkelen, hoesten constant. Ze zijn verbolgen over de gasaanval en zeggen dat het bij wet verboden zou moeten zijn om oudere gezinshoofden aan te vallen met verstikkende gassen. Het is alsof de hel hier vannacht is los gebarsten. Ik heb nog steeds koorts. Vele van mijn officieren en mannen zijn gesneuveld of gewond. Verdere bevelen blijven uit.

Michel Toudy sneuvelt een 2-tal jaar later, op 8 juli 1917, wanneer een munitiedepot ontploft.

Getuigeniszuil 5. Beeuwsaertmolen

De Beeuwsaertmolen, genoemd naar de eigenaar, krijgt tijdens de Eerste Wereldoorlog van de Franse troepen een totaal andere naam :‘Moulin Blue’. De molen is door zijn hoge ligging van strategisch belang, maar wordt tijdens de gasaanval en de daarop volgende dagen, volledig verwoest. Volop in de gaslijn bevindt zich onder meer het 73e regiment van Territoriale eenheden. De soldaten van "La territoriale" waren de oudste Franse soldaten, beschouwd als te oud of niet genoeg getraind.

Jean- Marie Le Bonhomme was luitenant bij het 73e regiment en beschrijft een paar maanden later de gebeurtenissen van die dag:

Nadat het 73e eindelijk een paar dagen rust had gekregen, werden we in allerijl in bussen geduwd om terug te gaan naar onze eerder posities bij Langemark- Steenstraete- Het Sas en het kanaal. Het front was sedert oktober november van vorig jaar ongewijzigd gebleven. De situatie was al enige maanden relatief rustig en misschien bevreemdend, maar we leken er aan gewend te geraken. Enkele honderden meters verder weg van de loopgraven leek het leven zijn normale gang terug te vinden. Ondanks de regelmatige bombardementen, werkten en woonden de mensen van Boezinge, Elverdinge en Woesten als voorheen. Aan deze situatie kwam een tragisch en abrupt einde. In de namiddag van 22 april, gebruikten de Duitsers gas als wapen met de gekende gevolgen. Het 73e en 74e zagen uit de Duitse linies een groenachtig gele wolk op zich afkomen. Dit duivelse gas werd vergezeld van een regen aan bommen. Veel van de mannen geraakten zo uitgeput van deze gasaanval, dat het onmogelijk was om op hun positie te blijven. De Duitser vielen met een ongelooflijke snelheid onze eerst linie binnen en ook onze tweede linies werd zonder veel weerstand overwonnen. Vele van onze mannen werden krijgsgevangen genomen. Maar het effect van het gas was vlug uitgewerkt. De eenheden werden heel vlug hervormd en de tweede slag van Vlaanderen, intenser dan de vorige maar op een veel kleiner gebied, ging van start. “ Je kunt je niet inbeelden welk lawaai de artillerie en het geweervuur veroorzaakte. In de buurt van Ieper, de Ieperlee en het kanaal naar de Ijzer, zag de horizon gedurende dagen roodgloeiend. De plaats waar dit allemaal gebeurde lag vol met doden. De grond doortrokken met het bloed van de vele slachtoffers. En wat het gebruik van gas betreft, het heeft zeker zijn effect gemist. Want de weg naar Duinkerke is voor de soldaten van de Keizer nog altijd geblokkeerd. “

Getuigeniszuil 6 : Madonna

Tijdens de eerste gasaanval wordt er gebruik gemaakt van chloorgas. Het hek is echter van de dam. De verschillende legers gaan op zoek naar nog meer dodelijk gas. Stikgas krijgt tijdens de oorlog verschillende opvolgers. De meest bekende variant wordt mosterdgas of ook wel Yperiet genoemd. In de vele veldhospitalen worden de verpleegsters geconfronteerd met de gevolgen van dit afgrijselijk wapen. Verpleegsters  Britain, Millard en Macfie getuigen

‘Ik zou willen dat al die mensen die zo welbespraakt schrijven over deze oorlog als een heilige oorlog, en dat al die kletsers die zoveel en zo vaak praten over doorgaan ongeacht hoelang de oorlog nog zal duren, een geval konden zien om maar niet te spreken van tien gevallen van mosterdgas in zijn vroegste stadium. Ik zou willen dat ze die arme kerels konden zien, verbrand en vol met grote mosterdkleurige, etterende blaren, met blinde ogen, tijdelijk of permanent - allemaal plakkerig en de oogleden aan elkaar vast, altijd vechtend om adem, met hooguit fluisterende stemmen, die zeiden dat hun kelen zich sloten en dat ze wisten dat ze zouden stikken. Het enige dat men kan zeggen is dat dat zij die er het ergst aan toe zijn, het niet lang hielden: of ze stierven of ze raakten aan de beterende hand .Meestal het eerste. Ze kwamen in ieder geval nooit in Engeland in de staat waarin wij ze kenden. En dus blijven mensen maar zeggen dat het een door God gegeven oorlog is, terwijl er zoveel uitvindingen van de Duivel in aanwezig zijn.’

 ‘Ze kunnen niet ademen, of ze nu zitten of liggen. Ze vechten om lucht, maar er kan niets voor hen worden gedaan. Hun longen zijn weg, letterlijk uitgebrand. Bij sommigen zijn de ogen en gezichten geheel weggevreten door gas en hun lichamen bedekt met eerste graadsverbrandingen. We proberen hun lijden enigszins te verzachten door er olie op te doen.
Ze kunnen noch verbonden noch aangeraakt worden. Gasverbrandingen moeten folterend zijn: gewoonlijk klagen de andere gewonden niet zelfs als ze de meest gruwelijke wonden hebben, maar gasslachtoffers zijn zonder uitzondering de pijngrens voorbij en kunnen het niet helpen het uit te schreeuwen.
Er was een jongen vandaag, schreeuwend om de dood, de gehele bovenlaag van zijn huid verbrand van top tot teen. Ik gaf hem een dosis morfine. Hij werd naar buiten gereden net voor ik weer dienst had. Wanneer houdt het op?’

De mosterdgasslachtoffers beginnen binnen te komen. Het is vreselijk hen te zien. De arme knullen zijn hulpeloos en de verpleegsters helpen hen hun uniformen uittrekken. Ze zijn doordrenkt met gas, en zo goed als we kunnen zorgen we voor hen. Even later zijn alle verpleegsters geel en duizelig. Zelfs ons haar is geel geworden en vele onder ons zijn er net zo erg aan toe als de mannen, enkel en alleen van de dampen van hun kledij.’

Getuigeniszuil 7 : Duitse Militaire Begraafplaats

Een belangrijke getuige aan Duitse zijde was Willi Siebert. Hij studeerde voor apotheker, maar toen zijn leermeester stierf eindigde ook zijn opleiding. Vanaf dan werkte hij als verkoper van verf en vernisproducten. Toen de oorlog uitbrak deed hij eerst dienst bij de infanterie, maar vanaf 1915 werd hij gedetacheerd naar een eenheid die zich met chemische oorlogsvoering bezighield. Hij hielp mee aan de voorbereidingen van de gasaanvallen.
Later, aan het oostfront, werd hij zelf slachtoffer van een gasaanval en moest de rest van de oorlog administratief werk verrichten. In 1921 emigreert hij naar de Verenigde staten.

“Uiteindelijk werd beslist om de gas te lossen. De weerman had het bij het rechte eind. Het was een mooie dag, de zon scheen volop. De plekken gras die er nog over waren zagen mooi groen. Het was eerder het moment om een picknick te organiseren, niet om te doen wat wij zodra van plan waren. Kort na de middag startte de artillerie met hevige bombardementen . De Fransen konden niet anders dan zich schuil te houden in hun loopgraven. Net na die bombardementen, stuurden we onze eigen infanterie achteruit en de gasflessen werden geopend. Toen het gas in de vooravond gelost werd was het akelig stil. We vroegen ons af wat er zou gebeuren. Naarmate de groengrijze wolk verder dreef in de richting van het front voor ons, begonnen we plots Frans geroep te horen. Geen minuut later begonnen ze als een razende te schieten met hun geweren en machinegeweren. Ik had dit nog nooit gehoord. Ieder veldkanon, ieder machine geweer, ieder wapen die de Fransen in hun bezit hadden werd op hetzelfde moment afgevuurd. Van mijn leven had ik zo’n lawaai gehoord. De regen aan kogels die boven ons hoofd passeerden was ongelooflijk, maar ze konden het gas niet tegenhouden. De wind blies het gas verder richting de Franse Linies. We hoorden de koeien angstig bulderen, de paarden in paniek hinniken. De Fransen bleven schieten. Ze schoten in het wilde weg. Na een kwartier begon het schieten af te nemen, en nog een kwartier later hoorden we nog af en toe een schot. En toen werd alles stil……..De gaswolk klaarde op en we trokken voorbij de lege gasflessen in de richting van de vijand. Wat we daar troffen was niet anders dan de totale dood. Niks, maar dan niks was nog in leven. Alle dieren waren uit hun hol gekropen om te sterven. Konijnen, ratten, mollen, muizen, ze lagen overal verspreid. Dood. De geur van gas hing nog altijd in de lucht. Ook in de restanten van een aantal struiken was de geur nog sterk aanwezig. Toen we aan de Franse linies kwamen, waren die leeg, maar zo’n 500 meter verder lagen de lijken van Franse soldaten overal verspreid. Het was ongelooflijk. Verderop zagen we ook Engelse soldaten liggen. Ze hadden zich in het gezicht, aan hun keel gekrabd om toch maar aan lucht te geraken. Sommigen hadden zelfmoord gepleegd. De paarden, sommigen nog in het gareel, de koeien, kippen, alles, alles was dood.

We begonnen de slachtoffers te tellen. Deze operatie had zoveel meer impact dan we ooit hadden kunnen vermoeden. Die avond moeten we duizenden Fransen en ook nog een groot aantal burgers gedood hebben met dit nieuwe wapen. De infanterie volgde ons, maar toen ze geen enkele weerstand ondervonden, keerden ze onverricht ter zake terug. Ook wij keerden terug naar ons kamp, ons afvragend wat we nu hadden gedaan en wat het volgende zou zijn. We wisten, dat van dat moment voort, niks nog hetzelfde zou zijn. 

Wat het aantal slachtoffers betreft, klopt dit relaas niet. Deze getuigenis werd in de jaren 1930 neergepend door Willi Siebert nadat zijn zoon in klas, les had gekregen over een aantal Amerikaanse oorlogshelden. Hiermee wou hij zijn zoon aantonen waar oorlog eigenlijk over ging.

Getuigeniszuil 8 : Eeckhoutmolenstraat

Na de Eerste Wereldoorlog was het niet gedaan met het gebruik van gas als wapen. De inzet van gas gebeurde na de oorlog nog op verschillende plaatsen. Spaans Marokko, Ethiopië, China, Jemen….noem maar op. Bij het gebruik van gas in Syrië in 2013 kwam er wereldwijd hevig protest. Eén van de meest gekende inzetten van gas was in 1988 in Halabja waar de Koerdische bevolking een aanval te verduren kreeg. Ali Zalme, inwoner van Halabja getuigt :

De gifgasaanval op Halabja vond plaats net voor het einde van de acht jaar durende oorlog tussen Irak en Iran. De stad Halabja was symbolisch voor het recente Koerdische verzet tegen het Ba’ath-regime in Irak. Saddam en zijn wrede regime zochten een kans om wraak te nemen op de inwoners van Halabja. Op 13 mei 1987, zo’n tien maanden voor de aanval op Halabja, hadden de inwoners namelijk samen met mensen uit de omgeving gerebelleerd tegen de Ba’ath-regering. Dat staat bekend als de Opstand van Mei.

Samen met duizenden anderen, grotendeels Koerdische studenten, trok ik de straat op en demonstreerden we tegen het verwoesten van Koerdische dorpen en landelijke gebieden, terwijl het regime de inwoners verplichtte te leven in gecontroleerde kampen. Zo’n vijf uur lang vierden we de korte bevrijding van Halabja, maar al snel kwam Saddams leger terug met de hulp van andere Iraakse legereenheden. Met zwaar geschut en bewapende helikopters grepen ze de macht over de omgeving. Onschuldige mensen werden vermoord en velen raakten gewond. Het leger arresteerde zomaar honderden mensen die meteen werden vermoord en begraven in massagraven vlakbij het dorp Sayidsadq. Drie van mijn neven en een van mijn beste vrienden waren erbij.

Voorafgaand aan de aanval op Halabja werkte de Iraanse inlichtingendienst samen met hooggeplaatste Iraakse militairen om een aanval te plannen tegen het Ba’ath-regime. Op 13 maart 1988 vielen Iraanse soldaten de eerste keer aan. Het was middernacht. Ik zag Iraanse soldaten marcheren. Ze zeiden dat we binnen moesten blijven tot de hele omgeving van Halabja bevrijd was van het Iraakse regime. Maar het regime vocht terug, met helikopters en straaljagers. Iedereen was in de war. De burgers waren verdeeld, sommigen vluchtten weg, maar vele anderen bleven in de bevrijde dorpen. Mijn familie besliste om die dag, 15 maart, tot 8 uur ‘s avonds in de stad te blijven. Toen beseften we dat we moesten vertrekken. Gelukkig waren we op tijd gevlucht. De aanval, die vijf uur duurde, begon vroeg in de avond van 16 maart 1988 na een reeks willekeurige aanvallen met raketten en napalm. Iraakse Mirage straaljagers gooiden chemische bommen op woonwijken in Halabja, ver van de belegerde Iraakse basis aan de rand van de stad.

Zo’n 20 keer vlogen zeven à acht Iraakse vliegtuigen over om bommen te gooien. Er waren ook helikopters die de militaire actie coördineerden. We zagen grote rookwolken, tot zo’n 50 meter hoog, die “wit, zwart en daarna geel” kleurden. Later vertelden mijn familie en vrienden, die de aanval van dichtbij hadden meegemaakt, dat het gas eerst naar zoete appels rook. Ze vertelden me dat mensen op verschillende manieren stierven of gewond raakten. Sommigen “vielen gewoon dood”, anderen “stierven van het lachen”. Bij nog andere slachtoffers duurde het enkele minuten; voor ze stierven kregen ze brandwonden en blaren of kleurde hun braaksel groen. Er wordt gezegd dat het Iraakse leger bij hun aanval verschillende chemische stoffen gebruikte, zoals mosterdgas en het zenuwgas sarin. De meeste slachtoffers, onder wie mijn oom van moederszijde, werden met ernstige verwondingen naar ziekenhuizen in de Iraanse hoofdstad Tehran gebracht, veroorzaakt door de blootstelling aan het mosterdgas.